ECLI:NL:RVS:2019:2437
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toeslagpartnerstatus ondanks betwiste onderhuur en inschrijving in BRP
In deze zaak gaat het om de vraag of [persoon] van 1 januari 2017 tot en met 31 oktober 2017 terecht als toeslagpartner van [appellant] is aangemerkt door de Belastingdienst/Toeslagen. Dit leidde tot een herziening van de voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget.
De Belastingdienst baseerde haar besluit op de inschrijving van [persoon] op hetzelfde adres als [appellant] en zijn minderjarige kind in de Basisregistratie Personen (BRP). [Appellant] voerde aan dat sprake was van een onderhuur op zakelijke gronden, met een huurovereenkomst tegen een symbolische huurprijs van € 5,00 per maand, en dat er geen gezamenlijke huishouding werd gevoerd.
De rechtbank oordeelde dat de huurovereenkomst geen zakelijke huur betrof vanwege de lage huurprijs en het ontbreken van duidelijke afspraken over de verhuurde kamer. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel en stelt dat de inschrijving in de BRP doorslaggevend is voor het partnerbegrip in de Awir. De omstandigheden van de huurovereenkomst en het ontbreken van voordelen voor [persoon] maken geen verschil. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toeslagpartnerstatus wordt bevestigd.