ECLI:NL:RVS:2019:2495
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling tijdens hoger beroep verblijfsvergunning
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris op 12 april 2018 opnieuw werd afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde het daarop ingestelde beroep van de vreemdeling op 14 juni 2019 ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet uitgezet zou worden voordat op het hoger beroep was beslist en dat hij gedurende die periode opvang en verstrekkingen zou ontvangen op grond van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek, mede gelet op een eerdere uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457), toewijsbaar was. Daarom werd bepaald dat de vreemdeling niet uitgezet mag worden totdat het hoger beroep is afgerond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.