ECLI:NL:RVS:2019:2523
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering intrekking intrekkingsbesluit bouwvergunning en toepassing inkeerregeling gemeente Meerssen
Appellant verzocht het college om terug te komen op het besluit van 8 december 2009 waarbij zijn bouwvergunning voor een bedrijfsloods was ingetrokken. Tevens verzocht hij om toepassing van de inkeerregeling coulancebeleid van de gemeente Meerssen. Het college wees beide verzoeken af en verklaarde de bezwaren ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat het college terecht heeft geoordeeld dat de buitengerechtelijke ontbinding van de vaststellingsovereenkomst geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is die herziening van het intrekkingsbesluit rechtvaardigt. Tevens is het aanhangig zijn van een civiele procedure tegen deze ontbinding op het moment van het besluit niet relevant. De rechtbank heeft dit oordeel bevestigd.
Ten aanzien van de inkeerregeling stelde appellant dat het college onvoldoende belangenafweging had gemaakt, mede vanwege een civiele procedure tegen de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst. De Afdeling stelde vast dat het college de belangenafweging reeds had gemaakt in het kader van eerdere handhavingsverzoeken en dat het verzoek van appellant om toepassing van de inkeerregeling neerkomt op een verzoek om terug te komen op het handhavingsbesluit. De Afdeling oordeelde dat het college in redelijkheid het standpunt kon handhaven dat appellant niet in aanmerking komt voor de inkeerregeling.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.