ECLI:NL:RVS:2019:2577

Raad van State

Datum uitspraak
25 juli 2019
Publicatiedatum
25 juli 2019
Zaaknummer
201904605/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vreemdeling in vreemdelingenbewaring; proceskostenvergoeding bij onrechtmatig binnentreden

De vreemdeling werd op 27 mei 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de staatssecretaris niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten, ondanks dat het binnentreden onrechtmatig was. Dit oordeel werd gebaseerd op eerdere jurisprudentie van de Raad van State.

De uitspraak van de rechtbank werd voor het overige bevestigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van zowel het beroep als het hoger beroep, een bedrag van €1.536,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van beroep en hoger beroep wegens onrechtmatig binnentreden.

Uitspraak

201904605/1/V3.
Datum uitspraak: 25 juli 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 juni 2019 in zaak nr. NL19.12470 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 7 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Wat de vreemdeling in de grieven 1, 3, 4 en 5 heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).
2.    In grief 2 klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank in haar oordeel dat het binnentreden niet rechtmatig is geweest ten onrechte geen aanleiding heeft gezien de staatssecretaris te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 16 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2411.
De grief slaagt.
3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd voor zover daarbij de staatssecretaris niet is veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van het beroep van de vreemdeling. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd. De staatssecretaris moet ook de proceskosten van het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 juni 2019 in zaak nr. NL19.12470, voor zover de rechtbank de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet heeft veroordeeld tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, griffier.
w.g. Verburg    w.g. Nienhuis
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2019
466-906.