ECLI:NL:RVS:2019:2643
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over afwijzing toevoeging rechtsbijstand in asielprocedure
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een toevoeging voor rechtsbijstand door de Raad voor Rechtsbijstand in het kader van zijn asielprocedure. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant na afwijzing van zijn tweede asielaanvraag met onbekende bestemming was vertrokken, waardoor volgens de rechtbank geen procesbelang meer bestond.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank onterecht geen onderscheid had gemaakt tussen belanghebbende en procesbelang en dat het belang van appellant bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep niet was vervallen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard en vernietigde de uitspraak.
De Afdeling beoordeelde vervolgens de beroepsgronden inhoudelijk en oordeelde dat de Raad voor Rechtsbijstand terecht de aanvraag voor een nieuwe toevoeging had afgewezen omdat reeds een toevoeging was verleend. De stelling dat de Raad onzorgvuldig had gehandeld en Habib-Portier eerder had moeten informeren, werd verworpen.
De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Raad tot vergoeding van de proceskosten van appellant ten bedrage van €512,00. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van E. Steendijk op 31 juli 2019.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.