ECLI:NL:RVS:2019:2698
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Verklaring omtrent het Gedrag na veroordeling voor bezit kinderporno
Appellant heeft verzocht om afgifte van een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) voor emigratie naar de Filipijnen, maar de minister heeft dit verzoek geweigerd vanwege een veroordeling voor bezit van kinderporno. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De minister baseerde de weigering op het objectieve criterium dat het strafbare feit, indien herhaald, een risico vormt voor de samenleving, en het subjectieve criterium dat het belang van bescherming tegen herhaling van zedendelicten zwaarder weegt dan het belang van appellant. Appellant voerde aan dat zijn delict de meest passieve vorm van zedendelicten betrof, dat hij niet bewust op zoek was naar kinderporno en dat het risico op recidive laag is, maar deze argumenten werden verworpen.
De Afdeling oordeelde dat het verzamelen van kinderporno een ernstige aantasting van de rechtsorde inhoudt en dat de minister terecht geen onderscheid hoefde te maken tussen soorten zedendelicten. Het langdurige karakter van het delict en de omvang van de verzameling (4176 afbeeldingen) onderstrepen de ernst. Het belang van de Filipijnse samenleving bij bescherming tegen risico's werd zwaarder gewogen dan het belang van appellant bij het verkrijgen van een VOG.
De Afdeling stelde vast dat het recht op familie- en gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro niet wordt geschonden door de weigering van de VOG, omdat dit recht zijn grenzen kent in het belang van de bescherming van de samenleving. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de weigering van de VOG vanwege het risico dat het bezit van kinderporno vormt voor de samenleving.