ECLI:NL:RVS:2018:3998
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting vreemdelingenbewaring na aanvraag verblijfsvergunning ondanks inreisverbod
De vreemdeling werd op 6 maart 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld en kreeg op 11 januari 2018 een zwaar inreisverbod van tien jaar opgelegd. Op 14 maart 2018 diende hij een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel 'familie en gezin'. De rechtbank oordeelde dat het inreisverbod rechtmatig verblijf uitsloot en verklaarde het beroep ongegrond.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt dat het arrest Ouhrami van het Hof van Justitie van de EU duidelijk maakt dat het inreisverbod niet het verblijf voorafgaand aan vertrek onrechtmatig maakt. Hierdoor kan een vreemdeling door het indienen van een verblijfsvergunningaanvraag rechtmatig verblijf verkrijgen, ondanks een inreisverbod.
De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de vreemdeling geen belang had bij beroep tegen een verblijfsvergunningbesluit zolang het inreisverbod voortduurde. De Afdeling vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep gegrond. De bewaring is onrechtmatig voortgezet vanaf 14 maart 2018. De vreemdeling krijgt een vergoeding toegekend voor de periode tot de opheffing van de bewaring op 26 maart 2018. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is onrechtmatig voortgezet vanaf de datum van zijn verblijfsvergunningaanvraag op 14 maart 2018 en het hoger beroep wordt gegrond verklaard.