ECLI:NL:RVS:2019:2742

Raad van State

Datum uitspraak
13 augustus 2019
Publicatiedatum
13 augustus 2019
Zaaknummer
201903551/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:115 AwbArt. 83a Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing van afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ongeloofwaardigheid bekering

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, omdat hij de door haar opgegeven bekering tot het christendom ongeloofwaardig achtte. De vreemdeling ging hiertegen in beroep bij de rechtbank Den Haag, die het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar overwegingen.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak omdat de rechtbank volgens hem buiten de grenzen van de wettelijke toetsing was getreden door haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas te geven in plaats van het oordeel van de staatssecretaris te toetsen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank inderdaad haar eigen oordeel had gegeven en daarmee de grenzen van de toetsing had overschreden.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling met inachtneming van de overwegingen van de Afdeling. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor nieuwe behandeling.

Uitspraak

201903551/1/V2.
Datum uitspraak: 13 augustus 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 april 2019 in zaak nr. NL18.12407 in het geding tussen:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 8 april 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R. Hijma, advocaat te Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft onder meer aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij zich heeft bekeerd tot het christendom. De staatssecretaris heeft haar bekering ongeloofwaardig geacht. In deze zaak is aan de orde of de rechtbank het standpunt van de staatssecretaris op de juiste manier heeft getoetst, en of de staatssecretaris zijn standpunt deugdelijk heeft gemotiveerd.
2.    In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank buiten de grenzen van de door artikel 83a van de Vreemdelingenwet 2000 voorgeschreven toetsing is getreden, omdat zij haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas in de plaats heeft gesteld van dat van hem.
2.1.    De rechtbank heeft het besluit van 14 juni 2018 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat zij heeft overwogen. Zij heeft echter ook overwogen dat zij, anders dan de staatssecretaris, van oordeel is dat de vreemdeling met haar duidelijke en consistente verklaringen het moment van bekering en haar proces van bekering voldoende inzichtelijk heeft gemaakt en dat de kennis van de vreemdeling over de inhoud van het geloof en haar verklaringen van de kerkgang de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden. De staatssecretaris klaagt daarom terecht dat de rechtbank daarmee haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas in de plaats heeft gesteld van zijn oordeel (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3007 en ECLI:NL:RVS:2016:3008).
2.2.    De grief slaagt.
3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld met inachtneming van wat hiervoor is overwogen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 april 2019 in zaak nr. NL18.12407;
III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Van Eck    w.g. Van Loon
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2019
284-596.