ECLI:NL:RVS:2019:2777

Raad van State

Datum uitspraak
15 augustus 2019
Publicatiedatum
15 augustus 2019
Zaaknummer
201804116/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E. Steendijk
  • H. Troostwijk
  • G.M.H. Hoogvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vw 2000Art. 8:54 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens termijnoverschrijding

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 24 maart 2017 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af wegens het niet tijdig indienen binnen de wettelijke termijn van drie maanden, zoals voorgeschreven in artikel 29, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 25 oktober 2017 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.

Tijdens de procedure stelde de Afdeling prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, die in november 2018 werden beantwoord. De Afdeling oordeelt dat hoewel de staatssecretaris terecht klaagt over de redelijkheid van de termijnoverschrijding, de vreemdeling niet correct is geïnformeerd over de mogelijkheid om een mvv aan te vragen voor een verblijfsvergunning regulier in het kader van gezinshereniging. De staatssecretaris heeft deze informatie in hoger beroep alsnog verstrekt.

De Afdeling bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 oktober 2017 volledig in stand blijven en verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en wordt een griffierecht geheven.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt kennelijk ongegrond verklaard en het besluit van 25 oktober 2017 blijft in stand.

Uitspraak

201804116/1/V1.
Datum uitspraak: 15 augustus 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 april 2018 in zaak nr. 17/15853 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 25 oktober 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 26 april 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat te Lisse, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Naar aanleiding van de bij uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1609, door de Afdeling gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie heeft de Afdeling partijen bericht dat de behandeling van deze zaak wordt aangehouden in afwachting van het antwoord van het Hof.
Bij arrest van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:877 (hierna: het arrest), heeft het Hof deze vragen beantwoord.
De vreemdeling en de staatssecretaris hebben desgevraagd een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De vreemdeling is de gestelde echtgenote van referent. Aan referent is bij besluit van 12 oktober 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).
Bij besluit van 24 maart 2017, gehandhaafd bij besluit van 25 oktober 2017, heeft de staatssecretaris de aanvraag van 20 mei 2016 om verlening van een mvv ten behoeve van nareis in het kader van gezinshereniging afgewezen, omdat deze niet was ingediend binnen de termijn van drie maanden, als genoemd in artikel 29, vierde lid, van de Vw 2000.
2.    In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de termijnoverschrijding niet in redelijkheid niet verschoonbaar heeft kunnen achten.
Onder verwijzing naar de uitspraak van 27 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2052, overweegt de Afdeling dat de in de grief vervatte klacht weliswaar terecht is voorgedragen, maar niet kan leiden tot het daarmee beoogde doel. De vreemdeling heeft in haar reactie op het arrest terecht gesteld dat zij in de besluiten van 24 maart 2017 en 25 oktober 2017 niet is geïnformeerd over de mogelijkheid een mvv met het oog op een verblijfsvergunning regulier in het kader van gezinshereniging aan te vragen. Nu de staatssecretaris haar daar in hoger beroep alsnog over heeft geïnformeerd, ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit geheel in stand blijven.
3.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 25 oktober 2017, V-nummer […], geheel in stand blijven;
III.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 768,00 (zegge: zevenhonderdachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Steendijk    w.g. Verbeek
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2019
574.