ECLI:NL:RVS:2019:2781
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en terugwijzing in asielzaak wegens niet-ontvankelijkheid
De staatssecretaris verklaarde op 4 juni 2018 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 16 oktober 2018 ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de eerste en tweede grief van de vreemdeling niet tot vernietiging leiden, maar dat de derde en vierde grief slaagden op grond van een recente uitspraak van 3 juli 2019, waarin is vastgesteld dat de rechtbank moet onderzoeken of het asielmotief tijdig en concreet is ingediend en betrokken kan worden bij het beroep.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep kennelijk gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug om opnieuw te worden behandeld met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €512,00.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor herbehandeling.