ECLI:NL:RVS:2019:2789
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling tijdens hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 22 mei 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 18 juli 2019 het beroep ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep en verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek om een voorlopige voorziening gegrond was en bepaalde dat de vreemdeling niet mocht worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze uitspraak beschermt de vreemdeling tegen uitzetting gedurende de behandeling van het hoger beroep en waarborgt zijn toegang tot opvang en verstrekkingen. De beslissing is genomen op basis van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht en sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de Raad van State.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.