ECLI:NL:RVS:2019:2798
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake inzageverzoek persoonsgegevens en dwangsom
Appellant verzocht op grond van artikel 35 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Het college wees het verzoek af en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens vermeend misbruik van recht, omdat appellant het verzoek via een onjuiste weg had ingediend en het doel zou zijn geweest het incasseren van dwangsommen.
De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkheid en oordeelde dat appellant misbruik had gemaakt van zijn wettelijke bevoegdheid. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het indienen van het verzoek via het reactieformulier weliswaar een indicatie van misbruik kan zijn, maar dat dit onvoldoende is om het verzoek als misbruik van recht aan te merken.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellant geen misbruik van recht heeft gemaakt met zijn Wbp-verzoek en het daarop volgende bezwaar. Tevens stelde de Afdeling vast dat het college een dwangsom van €1.260,00 verschuldigd is wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar. Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het college veroordeeld tot betaling van een dwangsom en proceskosten.