ECLI:NL:RVS:2019:2806
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bevoegdheid college tot spoedeisende bestuursdwang bij onjuiste afvalaanbieding
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 9 juli 2018 spoedeisende bestuursdwang toegepast door het verwijderen van een doos die naast een afvalcontainer was geplaatst. Het college stelde dat appellant verantwoordelijk was voor het plaatsen van de doos en legde hem een deel van de kosten (€126,00) op. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij de doos in de container had geplaatst en niet naast de container, ondersteund door verklaringen van familieleden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat volgens vaste rechtspraak degene aan wie afval kan worden herleid als overtreder wordt beschouwd, tenzij het tegendeel aannemelijk is gemaakt. Ook als appellant de doos in de container plaatste, was het niet correct gesloten houden van de containerklep een overtreding van de afvalstoffenverordening. De vervuilde omgeving en volle container rechtvaardigen dit niet.
De Afdeling concludeert dat het college bevoegd was om handhavend op te treden en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit tot kostenoplegging voor bestuursdwang wordt ongegrond verklaard.