ECLI:NL:RVS:2019:2832
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J.Th. Drop
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks beroep op standstill-bepaling
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan appellant een boete op wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning en het niet tijdig verstrekken van een afschrift van het identiteitsdocument aan de feitelijke werkgevers. Appellant voerde onder meer aan dat de standstill-bepaling van het associatieakkoord met Turkije van toepassing was en dat hij voldeed aan de verplichtingen omtrent het identiteitsbewijs.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de standstill-bepaling niet van toepassing is op de situatie van appellant, omdat het tewerkstellingsvergunningvereiste geen belemmering vormt voor zelfstandige vestiging in Nederland. Tevens werd geoordeeld dat appellant verplicht was om een afschrift van het identiteitsdocument aan de feitelijke werkgevers te verstrekken.
Daarnaast werd het betoog dat het onderzoek van de Inspectie SZW zonder wettelijke grondslag plaatsvond verworpen. De Raad stelde dat de Inspectie SZW bevoegd is tot toezicht zonder dat daarvoor een specifieke aanleiding hoeft te worden gegeven. De boete werd daarmee gehandhaafd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €4.750 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen en verklaart het hoger beroep ongegrond.