ECLI:NL:RVS:2018:1061
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks beroep op zelfstandigheid en vertrouwensbeginsel
De minister legde aan de vennoten van appellante een boete op wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden verrichtte. De rechtbank stelde de boete vast op €9.500 en verklaarde het bezwaar ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de vreemdeling als zelfstandige werkte, dat het opleggen van de boete in strijd was met het Aanvullend Protocol met Turkije, en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden.
De Raad van State oordeelde dat het feit dat de vreemdeling later een verblijfsvergunning als zelfstandige ontving, niet relevant was voor de periode waarin de overtreding plaatsvond. Het tewerkstellingsvergunningvereiste vormt geen verboden beperking van de vrijheid van vestiging. Ook was geen sprake van een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat geen concrete toezeggingen waren gedaan door bevoegde instanties. Verder was de boete evenredig en was het tijdsverloop tussen overtreding en boeteoplegging binnen de wettelijke termijn.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €9.500 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen en verklaart het hoger beroep ongegrond.