ECLI:NL:RVS:2019:3006
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- J. Kramer
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking exploitatievergunning en sluiting horecabedrijf na drugsvondst
Op 5 juli 2017 heeft de burgemeester van Utrecht de exploitatievergunning en de Drank- en Horecawetvergunning van het horecabedrijf van appellant ingetrokken en het bedrijf voor twaalf maanden gesloten vanwege bevindingen van drugshandel en aanwezigheid van softdrugs.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, waarbij de rechtbank de beperkte kennisneming van zes processen-verbaal van de politie toestond. Appellant stelde dat dit zijn verdedigingsrecht schaadde, omdat hij de juistheid van de feiten niet kon toetsen zonder volledige inzage.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank artikel 8:29 Awb Pro onjuist had toegepast door de kennisneming te beperken, maar dat dit geen reden was voor vernietiging omdat de feiten reeds in de besluiten waren samengevat en appellant alsnog kennis kon nemen van de stukken tijdens het hoger beroep.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen sprake van schending van het verdedigingsbeginsel of het recht op een eerlijk proces, en de burgemeester mocht uitgaan van de bevindingen in de processen-verbaal en het bevindingenrapport.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de vergunning en sluiting van het horecabedrijf worden bevestigd.