ECLI:NL:RVS:2019:3033
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag rijbewijs voor personen zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een rijbewijs door de RDW, omdat hij niet staat ingeschreven met een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de RDW terecht de aanvraag had afgewezen, omdat de appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in Nederland woont.
De appellant betoogde dat de RDW niet duidelijk had gemaakt waarom zijn overgelegde gegevens onvoldoende waren en dat gemaakte afspraken tijdens een hoorzitting niet waren nagekomen. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat op grond van Europese richtlijnen en het Reglement rijbewijzen het begrip 'woonachtig zijn' moet worden uitgelegd als feitelijk woonachtig zijn, waarbij de aanvrager moet aantonen dat hij ten minste 185 dagen per kalenderjaar in Nederland verblijft.
Hoewel de appellant enkele aanwijzingen van binding met Nederland had overgelegd, ontbraken objectiveerbare bewijzen zoals een huurcontract of frequente betalingsbewijzen. Hierdoor is niet aannemelijk dat hij in Nederland woonachtig is. De niet-nakoming van afspraken door de RDW leidt niet tot een ander oordeel, omdat het aan de appellant was om zijn woonplaats aannemelijk te maken. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een rijbewijs wegens onvoldoende aannemelijkheid van verblijf in Nederland.