ECLI:NL:RVS:2019:3103
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- J.J. van Eck
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Intrekking exploitatievergunning speelautomaten wegens relatie met illegale exploitatie
Memo Speelautomaten, vertegenwoordigd door appellant sub 1, kreeg op 24 juli 2017 van de Kansspelautoriteit een besluit tot intrekking van zijn exploitatievergunning voor speelautomaten. Dit besluit was gebaseerd op de relatie tussen appellant en LSA, een bedrijf dat tussen maart 2016 en februari 2017 speelautomaten exploiteerde zonder vergunning, wat een misdrijf is volgens de Wet op de kansspelen (Wok). De Kansspelautoriteit stelde dat appellant via een zakelijke samenwerking met LSA betrokken was bij deze illegale activiteiten.
De rechtbank Den Haag vernietigde het besluit tot intrekking deels en verklaarde het bezwaar tegen de last onder bestuursdwang ongegrond. Zowel appellant als de Kansspelautoriteit gingen in hoger beroep. De Raad van State bevestigde dat er een zakelijk samenwerkingsverband bestond tussen appellant en LSA, mede door de verkoop van speelautomaten en familierelaties, waardoor een ernstig gevaar bestond dat de vergunning zou worden gebruikt om voordelen uit strafbare feiten te benutten.
Echter, de Raad van State oordeelde dat de Kansspelautoriteit ten onrechte een preventieve last onder bestuursdwang had opgelegd aan appellant, omdat het vereiste gevaar van een overtreding niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was aangetoond. Het besluit tot last onder bestuursdwang werd daarom vernietigd, terwijl het besluit tot intrekking van de vergunning werd gehandhaafd. Tevens werd de Kansspelautoriteit veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: De intrekking van de exploitatievergunning wordt bevestigd, maar het besluit tot last onder bestuursdwang wordt vernietigd.