ECLI:NL:RVS:2019:3111
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid intrekking marktplaatsvergunningen wegens onvoldoende persoonlijke aanwezigheid
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok op 13 december 2017 de marktlijstnummers en vergunningen in van een marktondernemer wegens het feit dat zij persoonlijk slechts 9% van de marktdagen aanwezig was op haar vaste standplaatsen. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat de aanwezigheidseis niet strikt kon worden opgelegd omdat de ondernemer zich deels liet vervangen door familieleden met vervangerskaarten. Het college ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de Marktverordening vereist dat de vergunninghouder persoonlijk aanwezig moet zijn tijdens de openingsuren en dat vervanging slechts is toegestaan indien ontheffing is verleend. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de aanwezigheidseis onvoldoende duidelijk was. Het hoger beroep van het college werd gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
De Afdeling beoordeelde vervolgens de overige beroepsgronden van de marktondernemer en concludeerde dat het college in redelijkheid de vergunningen mocht intrekken. De ondernemer had onvoldoende persoonlijke aanwezigheid getoond en de belangenafweging door het college was zorgvuldig, mede gelet op de mogelijkheid om zich opnieuw aan te melden voor een andere standplaats. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vergunninghouder wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de marktplaatsvergunningen wordt bevestigd.