ECLI:NL:RVS:2019:3172
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing VOG-aanvraag wegens justitiële antecedenten en verkeersdelicten
Appellant vroeg op 25 november 2017 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan voor de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar. De minister wees de aanvraag af op grond van justitiële gegevens uit het Justitieel Documentatie Systeem (JDS), waaronder een recente strafbeschikking voor een ernstige snelheidsovertreding en een eerder opgelegde boete voor gevaarlijk rijgedrag. Tevens was er een voorwaardelijke sepot van een geweldsdelict uit 2011.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat verkeersdelicten buiten beschouwing hadden moeten blijven omdat deze niet in het screeningsprofiel voor de functie waren opgenomen en dat het geweldsdelict geseponeerd was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister terecht ook deze feiten heeft betrokken bij de beoordeling, omdat verkeersdelicten relevant zijn voor de functie en het sepot op inhoudelijke gronden was verleend.
Verder stelde appellant dat het subjectieve criterium onvoldoende was meegewogen, omdat hij een positieve ontwikkeling had doorgemaakt en sinds de laatste overtreding geen nieuwe justitiële feiten had. De Afdeling vond dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen risico’s zwaarder woog dan het belang van appellant bij een VOG, mede gezien de ernst en frequentie van de feiten binnen de terugkijktermijn van tien jaar.
De Afdeling bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag wegens justitiële antecedenten en verkeersdelicten.