ECLI:NL:RVS:2018:1834
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verklaring omtrent gedrag wegens eerdere veroordelingen
De zaak betreft het hoger beroep van een aanvrager tegen de weigering van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) door de staatssecretaris, vanwege eerdere justitiële veroordelingen binnen de terugkijktermijn van vier jaar. De aanvrager had een functie als assistent groepsleider bij een zorginstelling beoogd, waarbij zij toegang zou hebben tot persoonlijke eigendommen van cliënten.
De staatssecretaris baseerde de weigering op twee onherroepelijke veroordelingen wegens diefstal in vereniging in 2015, en een eerdere transactie in 2010 wegens verduistering. Hoewel het strafbare feit uit 2010 onvoldoende gewicht kreeg om zelfstandig te worden betrokken, werd het wel meegenomen in de belangenafweging. De staatssecretaris stelde dat herhaling van dergelijke feiten een risico voor de samenleving inhoudt, met name voor de veiligheid van persoonlijke eigendommen van cliënten.
De aanvrager voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar persoonlijke omstandigheden en dat het belang van de samenleving niet zwaarder mocht wegen dan haar eigen belang bij de VOG. De Raad van State oordeelde echter dat het objectieve criterium juist was toegepast en dat het subjectieve criterium niet tot een andere uitkomst leidde. De weigering van de VOG is een preventief bestuursrechtelijk instrument en geen sanctie.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank Rotterdam en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de VOG-aanvraag vanwege eerdere veroordelingen.