ECLI:NL:RVS:2019:3198
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving last onder dwangsom voor illegale splitsing woning in Den Haag
De appellant is sinds 2003 eigenaar van een perceel in Den Haag waar hij een woning heeft gesplitst in drie zelfstandige wooneenheden zonder de vereiste omgevingsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders legde op 13 juli 2017 een last onder dwangsom op om de illegale splitsing te beëindigen en de oorspronkelijke situatie te herstellen.
De appellant voerde aan dat er geen illegale situatie bestond omdat de drie woningen huisnummers hadden en hij gemeentelijke belastingen betaalde. Ook stelde hij dat het college op de hoogte was en dat er zicht was op legalisering vanwege ingediende vergunningaanvragen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en deze uitspraak werd door de Raad van State bevestigd.
De Raad overwoog dat het ontbreken van een omgevingsvergunning doorslaggevend is en dat het toekennen van huisnummers en belastingheffing niet leidt tot legaliteit. Ook was er ten tijde van de besluiten geen concreet zicht op legalisering omdat de vergunningaanvragen buiten behandeling waren gesteld. De hoogte van de dwangsom werd als redelijk beoordeeld, en het college mocht overgaan tot invordering voordat op bezwaar was beslist. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.