ECLI:NL:RVS:2019:3223
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in hoger beroep verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 9 augustus 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 9 september 2019 het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Gelijktijdig verzocht de vreemdeling de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet uitgezet zou worden voordat het hoger beroep was beslist en hij opvang en verstrekkingen zou ontvangen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de vreemdeling niet mocht worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt en legde de staatssecretaris een proceskostenvergoeding van €512,- op voor de beroepsmatige rechtsbijstand.
Deze uitspraak beschermt de belangen van de vreemdeling gedurende de procedure en waarborgt dat hij niet onherstelbaar wordt benadeeld door voortijdige uitzetting. De beslissing is genomen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt het belang van zorgvuldige rechtsbescherming in vreemdelingenzaken.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.