201803124/1/V1.
Datum uitspraak: 1 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. [de vreemdeling],
2. de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 maart 2018 in zaak nr. 16/23302 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Op 18 augustus 2016 heeft de staatssecretaris de vreemdeling de feitelijke toegang tot de vrijheidsbeperkende locatie te Ter Apel (hierna: de VBL) geweigerd.
Bij besluit van 15 november 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 maart 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij een nader stuk ingediend.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingediend.
De vreemdeling en de staatssecretaris hebben desgevraagd een schriftelijke reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De in het hogerberoepschrift opgeworpen rechtsvragen heeft de Afdeling beantwoord bij uitspraak van 30 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3281. Uit deze uitspraak volgt dat de staatssecretaris niet moet onderzoeken of de VBL adequate opvang is die de vreemdeling voldoende ondersteunt om de fysieke en psychische integriteit te waarborgen. De staatssecretaris gaat er namelijk terecht van uit dat medisch noodzakelijke zorg bij de VBL voorhanden is en dat een vreemdeling voordat hij naar de VBL afreist met de huisarts daar overleg kan hebben. Hieruit vloeit voort dat de drie grieven van de vreemdeling niet slagen. 2. Het incidenteel hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).
Conclusie in beide hoger beroepen
3. De hoger beroepen zijn kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Troostwijk w.g. Van Loon
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2019
284-862.