ECLI:NL:RVS:2019:3338

Raad van State

Datum uitspraak
2 oktober 2019
Publicatiedatum
2 oktober 2019
Zaaknummer
201905322/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf door staatssecretaris

De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris op 19 januari 2018 is afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar dat op 11 oktober 2018 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 14 juni 2019 het beroep ongegrond verklaarde.

De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift bevatte geen nieuwe vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, waardoor het hoger beroep kennelijk ongegrond werd verklaard.

De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en de afwijzing van de aanvraag door de staatssecretaris. De staatssecretaris is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken door de enkelvoudige kamer onder leiding van A.W.M. Bijloos op 2 oktober 2019.

Uitkomst: Het hoger beroep is kennelijk ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag tot machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.

Uitspraak

201905322/1/V1.
Datum uitspraak: 2 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 14 juni 2019 in zaak nr. 18/8405 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 19 januari 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 11 oktober 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R. Deniz-Ramnun, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd (zie de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3147). De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).
2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Helmich, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Helmich
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2019
827.