ECLI:NL:RVS:2019:3341

Raad van State

Datum uitspraak
2 oktober 2019
Publicatiedatum
2 oktober 2019
Zaaknummer
201906160/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarende behandeling asielaanvraag

Bij besluit van 23 juli 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde op 12 augustus 2019 het beroep van de vreemdeling gegrond, beval de opheffing van de bewaring en kende schadevergoeding toe.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris verplicht is de asielaanvraag voortvarend te behandelen bij inbewaringstelling krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

De Afdeling oordeelde dat de grief van de staatssecretaris slaagt en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen overige beroepsgronden waren die niet door de rechtbank waren besproken, verklaarde de Afdeling het beroep alsnog ongegrond en vergoedde de staatssecretaris geen proceskosten.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

201906160/1/V3.
Datum uitspraak: 2 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 augustus 2019 in zaak nr. NL19.17538 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juli 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 12 augustus 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.A. Welling, advocaat te Wageningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag of de staatssecretaris bij een inbewaringstelling krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 gehouden is de asielaanvraag voortvarend te behandelen, heeft de Afdeling bij uitspraken van 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3139, en 26 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:271, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraken volgt dat de grief slaagt.
2.    Het hoger beroep is alleen al hierom gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig om wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 augustus 2019 in zaak nr. NL19.17538;
III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Vos
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2019
644.