ECLI:NL:RVS:2019:3357
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag voorrangsverklaring woonruimte vanwege onvoldoende urgentie
De appellant heeft een aanvraag ingediend voor een voorrangsverklaring voor woonruimte op sociaal-medische gronden, omdat zijn huidige woning niet geschikt zou zijn voor een gezin. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af omdat appellant een huurcontract had tot 1 juni 2018 en de onderhoudsproblemen met de verhuurder moest oplossen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De voorzieningenrechter oordeelde dat appellant niet buiten eigen schuld in zijn situatie was gekomen, mede omdat hij zelf had gekozen zijn gezin naar Nederland te laten komen zonder passende huisvesting.
Daarnaast werd de toepassing van de hardheidsclausule door het college niet onredelijk bevonden, gezien de grote woningnood en het restrictieve beleid voor voorrangsverklaringen. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en bevestigde het eerdere oordeel dat de situatie van appellant niet zodanig schrijnend is dat voorrang gerechtvaardigd is.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een voorrangsverklaring bevestigd.