ECLI:NL:RVS:2019:3361

Raad van State

Datum uitspraak
8 oktober 2019
Publicatiedatum
7 oktober 2019
Zaaknummer
201902245/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:72 AwbArt. 72 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar opvang vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bood de vreemdeling onderdak aan in een vrijheidsbeperkende locatie te Ter Apel en verwees haar naar de gemeente Amsterdam voor een beschermde woonplek. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de staatssecretaris niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar moest nemen.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris niet onterecht het aanbod van onderdak in de vrijheidsbeperkende locatie had gedaan. De rechtbank had echter terecht geoordeeld dat de niet-ontvankelijkverklaring onjuist was, omdat de reactie van de staatssecretaris op het verzoek van de vreemdeling een rechtens relevante handeling was.

De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze niet had bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand bleven en dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen. De rechtsgevolgen van het besluit van 4 oktober 2018 blijven volledig in stand. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.

Uitspraak

201902245/1/V1.
Datum uitspraak: 8 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 februari 2019 in zaak nr. 18/7585 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij brief van 6 juli 2018 heeft de staatssecretaris de vreemdeling onderdak in de vrijheidsbeperkende locatie te Ter Apel (hierna: de VBL) aangeboden en haar in reactie op het verzoek haar een beschermde woonplek te bieden naar de gemeente Amsterdam verwezen.
Bij besluit van 4 oktober 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 19 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar neemt.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij desgevraagd een schriftelijke reactie ingediend.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en nadere stukken van 12 augustus 2019 en 1 oktober 2019 ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De in het hogerberoepschrift opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord bij uitspraak van 30 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3281. Uit deze uitspraak volgt dat de staatssecretaris niet ten onrechte op het verzoek van de vreemdeling om haar opvang te verlenen heeft gereageerd met het aanbod van onderdak in de VBL. Hieruit vloeit voort dat de enige grief slaagt.
2.    Niettemin heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris het bezwaar van de vreemdeling ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zijn reactie op haar verzoek om adequate opvang een rechtens relevante handeling is in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. De staatssecretaris heeft hiertegen geen grief gericht. De rechtbank heeft dus het beroep van de vreemdeling terecht gegrond verklaard en het besluit van 4 oktober 2018 terecht vernietigd. Gelet op wat onder 1. is overwogen en omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, heeft de rechtbank echter ten onrechte geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten.
3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover de rechtbank niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, en zij de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar te nemen. De Afdeling bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 februari 2019 in zaak nr. 18/7585, voor zover zij niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 4 oktober 2018 in stand blijven, en zij de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;
III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Steendijk    w.g. Schuurman
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2019
284-864.