ECLI:NL:RVS:2019:3381
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bewonersparkeervergunning ondanks vermeende ongelijke vergunningverlening
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een bewonersparkeervergunning in Amsterdam, waar het vergunningenplafond op nul is gesteld. Het college wees de aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Appellant stelde dat het college het gelijkheidsbeginsel had geschonden doordat buren in hetzelfde vergunninggebied wel vergunningen ontvingen, die volgens het college abusievelijk waren verstrekt. Het college gaf aan deze vergunningen te zullen intrekken. De Raad van State constateerde dat alle ten onrechte verleende vergunningen, inclusief die van directe buren, inmiddels waren ingetrokken, hoewel één vergunning aanvankelijk was over het hoofd gezien en later alsnog werd ingetrokken.
De Raad oordeelde dat het college niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel had gehandeld en dat de afwijzing van de vergunning terecht was vanwege het vergunningenplafond. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de bewonersparkeervergunning wordt bevestigd ondanks eerdere ongelijke vergunningverlening.