ECLI:NL:RVS:2019:340
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A. Hagen
- F.D. van Heijningen
- E.J. Daalder
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgevingsvergunning voor geitenstal ondanks bezwaren over intensieve veehouderij en gezondheidsrisico's
Het college van burgemeester en wethouders van Weert verleende op 2 februari 2017 een omgevingsvergunning aan appellante sub 2 voor het bouwen van een geitenstal en werkruimte op een perceel te Weert. Appellant sub 1, wonend in de omgeving, maakte bezwaar tegen deze vergunning vanwege vermeende strijd met het bestemmingsplan en gezondheidsrisico's, waaronder Q-koorts.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant sub 1 ongegrond en bevestigde het besluit van het college. De rechtbank oordeelde dat appellante sub 2 een grondgebonden agrarisch bedrijf exploiteert, wat is toegestaan, en dat het houden van geiten in stallen niet automatisch leidt tot een intensief veehouderijbedrijf. Ook werd geoordeeld dat het college voldoende onderzoek had gedaan naar de gezondheidsrisico's en dat het rapport van het RIVM uit 2017 niet kon worden meegewogen bij het besluit.
In hoger beroep bij de Raad van State werd het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat appellante sub 2 voldoende landbouwareaal bezit om te voorzien in de voerbehoefte van de geiten, waardoor het bedrijf als grondgebonden wordt aangemerkt. De bezwaren over gezondheidsrisico's, waaronder Q-koorts en longontstekingen, werden niet gegrond bevonden omdat het college de verplichte maatregelen treft en het rapport van het RIVM geen aanleiding gaf tot weigering van de vergunning.
Het incidenteel hoger beroep van appellante sub 2 verviel omdat het hoger beroep van appellant sub 1 ongegrond werd verklaard. De Raad van State bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de omgevingsvergunning en wijst het hoger beroep af.