ECLI:NL:RVS:2019:3432
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdelingen tijdens hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 28 augustus 2019 besloten om aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdelingen stelden hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 18 september 2019 deze beroepen ongegrond verklaarde. Vervolgens stelden de vreemdelingen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzochten tegelijkertijd om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft op 9 oktober 2019 besloten om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit houdt in dat de vreemdelingen niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens is de staatssecretaris veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de vreemdelingen, ter hoogte van €512,00, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze beslissing werd genomen met toepassing van artikel 8:81 en Pro artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter baseerde zich onder meer op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457).
Uitkomst: De vreemdelingen worden niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.