ECLI:NL:RVS:2019:3475
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verklaring van geen bezwaar voor pleegouderschap kleinkinderen
Appellanten verzochten om een verklaring van geen bezwaar (vvgb) om als pleegouders drie kleinkinderen op te nemen. De kinderen zijn uit huis geplaatst en staan onder toezicht van een jeugdzorginstelling. De minister weigerde de vvgb op grond van strafrechtelijke veroordelingen van appellant B en risico’s voor het welzijn van de kinderen.
De rechtbank vernietigde een eerder besluit wegens motiveringsgebrek, maar wees het beroep later ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de weigering. De minister had een belangenafweging gemaakt waarbij de aard en recentheid van veroordelingen, de spanningen tussen grootouders en ouders, en de relatie met hulpverleners waren meegewogen.
Appellanten voerden aan dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de specifieke problematiek van de kinderen en de wens tot stabiliteit. De Afdeling oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom het risico op herhaling van gedragingen en spanningen een weigering rechtvaardigt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de verklaring van geen bezwaar voor het pleegouderschap van drie kleinkinderen.