Uitspraak
18.1418 JW
OVERWEGINGEN
.Een besluit dat betrekking heeft op een toe- of afwijzing van een aanvraag voor een pleegvergoeding vindt zijn grondslag in artikel 5.3, eerste lid, van de Jw.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland waarin het beroep tegen het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn ongegrond werd verklaard. Het betrof een aanvraag voor een pleegvergoeding die door het college was afgewezen en later herroepen met de mededeling dat het college niet bevoegd was om over de aanvraag te beslissen.
De rechtbank had geoordeeld dat op grond van artikel 5.3, eerste lid, van de Jeugdwet niet het college maar de pleegzorgaanbieder bevoegd is om te beslissen over een pleegvergoeding, en verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de Centrale Raad van Beroep wel bevoegd zou zijn.
De Raad overwoog dat het hoger beroep op grond van artikel 8:105, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in beginsel bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden ingesteld, tenzij een andere rechter bevoegd is. De Centrale Raad van Beroep is bevoegd voor besluiten op grond van artikel 2.3 en paragraaf 8.1 van de Jeugdwet, maar niet voor besluiten op grond van artikel 5.3. Er is geen nauwe samenhang tussen deze besluiten, zodat de Raad zich onbevoegd verklaarde.
Het hoger beroepschrift wordt doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens wordt het betaalde griffierecht terugbetaald aan appellant. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 11 augustus 2021.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd en zendt het hoger beroep door naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.