ECLI:NL:RVS:2019:3497
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete van €41.000 wegens overtreding Arbeidstijdenwet door transportbedrijf
De minister legde op 11 april 2017 aan een transportbedrijf een boete van €41.000 op wegens overtreding van artikel 4:3 van Pro de Arbeidstijdenwet, omdat het bedrijf niet voldeed aan de registratieverplichting van arbeids- en rusttijden. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland die de boete handhaafde, stelde het bedrijf hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat Verordening 561/2006 van toepassing is op het wegvervoer van het bedrijf, omdat het vervoer plaatsvond binnen de Europese Gemeenschap en aanverwante landen. Het bedrijf had onvoldoende bewijs geleverd dat de ontbrekende digitale tachograafbestanden (M-bestanden) wel aanwezig waren tijdens de controle, terwijl de Inspectie Leefomgeving en Transport 253 overtredingen constateerde.
Verder stelde het bedrijf dat de boete te hoog was en dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met de omstandigheden van de overtredingen. De Raad van State bevestigde dat de minister bij het opleggen van de boete de discretionaire bevoegdheid correct had toegepast en dat de hoogte van de boete in overeenstemming was met de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet 2016. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een verlaging rechtvaardigden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €41.000 wegens overtreding van de Arbeidstijdenwet.