ECLI:NL:RVS:2019:3553
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. Kramer
- P.H.A. Knol
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing last onder bestuursdwang inzake verontreinigde mest in Baarle-Nassau
Het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau legde op 12 januari 2017 een last onder bestuursdwang op aan appellante A om verontreinigde mest te verwijderen vanwege overtreding van artikel 10.1 van de Wet milieubeheer. Na uitvoering van de last werd deze op 21 februari 2017 ingetrokken. Appellante A en B maakten bezwaar en stelden beroep in tegen het besluit op bezwaar.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het beroep van appellante B niet-ontvankelijk was omdat zij geen bezwaar had gemaakt tegen de oorspronkelijke besluiten. Het beroep van appellante A werd inhoudelijk behandeld. Appellante A stelde dat zij niet in de gelegenheid was gesteld haar zienswijze voorafgaand aan de last kenbaar te maken, en dat het college ten onrechte had geoordeeld dat sprake was van een overtreding van de Wet milieubeheer.
De Raad van State oordeelde dat het college terecht het gebrek van het ontbreken van voorafgaande zienswijze had gepasseerd omdat appellante A haar standpunten in bezwaar alsnog had kunnen inbrengen. Tevens werd geoordeeld dat de mest als afvalstof moest worden aangemerkt vanwege de aanwezigheid van niet-mesteigen chemische stoffen, en dat het college terecht een overtreding van artikel 10.1 Wet milieubeheer had vastgesteld. Het college had bovendien terecht de last ingetrokken na controle van de uitvoering, ondanks het betoog van appellante A dat er sprake zou zijn van restantvervuiling.
De Raad van State verklaarde het beroep van appellante B niet-ontvankelijk en het beroep van appellante A ongegrond, en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van appellante B is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van appellante A ongegrond.