ECLI:NL:RVS:2017:2964
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging huisverbod en verlenging ter bescherming gezin tegen huiselijk geweld
De burgemeester legde op 11 juli 2016 een huisverbod op aan appellante voor tien dagen, gevolgd door een verlenging tot 8 augustus 2016, vanwege een incident waarbij appellante een brandende doek in de woning wierp en haar echtgenoot opsloot. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellante stelde in hoger beroep onder meer dat de kinderen niet waren gehoord, het gevaar niet bestond vanwege haar voorlopige hechtenis, en dat het huisverbod een onrechtmatige inmenging in haar familie- en gezinsleven vormde.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het huisverbod terecht was opgelegd omdat er sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van de gezinsleden, gelet op het incident en de langdurige problemen rond de echtscheiding. Ook de verlenging was gerechtvaardigd omdat de hulpverlening nog niet was gestart door de detentie van appellante en het gevaar voortduurde. De Afdeling verwierp het betoog dat het huisverbod onrechtmatig was vanwege de voorlopige hechtenis en benadrukte dat het huisverbod een bestuursrechtelijke maatregel is die losstaat van de strafrechtelijke procedure. De inmenging in het familie- en gezinsleven was toegestaan onder artikel 8 EVRM Pro vanwege de noodzaak tot bescherming van de gezondheid en veiligheid van de achterblijvers.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het huisverbod en de verlenging daarvan wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.