ECLI:NL:RVS:2019:3659
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting bedrijfspand wegens faciliteren criminele activiteiten ondanks subsidiariteits- en proportionaliteitsoverwegingen
De burgemeester van Utrecht besloot op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening en een beleidsregel tot sluiting van het garagebedrijfspand van appellant sub 2 voor twaalf maanden vanwege het faciliteren van criminele activiteiten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant sub 2 gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de sluiting in strijd was met het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel.
De burgemeester stelde hoger beroep in en voerde aan dat de sluiting noodzakelijk was om de openbare orde te herstellen en dat geen lichter handhavingsmiddel toereikend was. De Raad van State oordeelde dat de burgemeester op redelijke gronden kon concluderen dat appellant sub 2 verwijtbaar criminele activiteiten faciliteerde en dat de gekozen sluitingsduur van twaalf maanden passend en gemotiveerd was.
Verder werd geoordeeld dat het voortzetten van bedrijfsactiviteiten in een nabijgelegen pand planologisch toegestaan is, maar dat dit geen toestemming inhoudt die sluiting van dat pand uitsluit. De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit van de burgemeester ongegrond, waarmee de sluiting werd bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de sluiting van het bedrijfspand voor twaalf maanden wegens faciliteren van criminele activiteiten en vernietigt het eerdere vonnis.