Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2019 in de zaak tussen
[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam] , te [plaats] , eiser
de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder
Procesverloop
Bij afzonderlijk besluit van 30 juni 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder het naastgelegen pand hoek [straat 2] – [straat 1] , ook voor de duur van 12 maanden gesloten.
Overwegingen
Procesbelang
Geen geheime stukken
Over het pand waar de sigarettenfabriek is aangetroffen, UTR 18/4933
Eiser heeft daartegenover gesteld dat hij, als hij betrokken zou zijn geweest bij de illegale activiteiten, nooit huurpenningen zou hebben geïncasseerd noch de meterstanden zou hebben opgenomen.
Dit is echter geen tegenbewijs dat doet twijfelen aan de inhoud van het proces-verbaal van de FIOD. Het is – anders dan eiser betoogt – namelijk heel goed denkbaar dat hij als verhuurder van het pand de meterstanden opnam en huurpenningen inde maar ook betrokken was bij de illegale sigarettenfabriek. Het één sluit het ander namelijk niet uit.
Verweerder heeft bij zijn conclusie dat eiser op de hoogte was van de illegale sigarettenfabriek verder mogen betrekken dat er een doorgang was vanuit het autoschadeherstelbedrijf naar de sigarettenfabriek en dat eiser over een sleutel van die doorgang beschikte. Daarom valt eiser dus wel een verwijt te maken en is de sluiting voor een jaar gerechtvaardigd.
Het pand waarin het autoschadeherstelbedrijf is gevestigd, UTR 18/4942
Zoals uit het voorgaande blijkt, volgt de rechtbank eiser niet in dit betoog. Uit de gedingstukken volgt dat aannemelijk is dat eiser van de gestolen auto-onderdelen wist. Als eigenaar én gebruiker van het pand, rust op hem ook de verantwoordelijkheid om in de gaten te houden wat er in zijn eigen bedrijf gebeurt. Van hem wordt dus ook verwacht dat hij erop toeziet dat er geen gestolen goederen kunnen worden aangetroffen in zijn bedrijf. Als eiser al geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van gestolen goederen, heeft hij in elk geval onvoldoende adequaat toezicht op zijn bedrijf gehouden. Het betoog slaagt niet.
Voor beide panden beroep op het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel
Tot slot heeft eiser erop gewezen dat er geen sprake is van een strafrechtelijke veroordeling van eiser en dat verweerder dus op de feiten vooruitloopt. De sluiting van de panden komt in dit geval neer op een verkapte vorm van straf en is onnodig, vindt eiser.
De sluiting treft dus alleen het pand waar zich omstandigheden hebben voorgedaan die deze sluiting rechtvaardigt. De maatregel die verweerder treft, is niet gericht op de eigenaar/verhuurder van het pand of op diens bedrijf, maar gericht op dat pand zelf. Daar moeten de illegale activiteiten stoppen en de loop naar dát pand moet worden beëindigd. Het doel van het beleid van verweerder is in het geval van eiser om de criminele activiteiten in zijn twee panden te laten stoppen en de loop naar die panden eruit te halen. Dat doel is met de sluiting van deze twee panden ook behaald. Zoals eiser terecht opmerkt zouden mensen met verkeerde bedoelingen die op zoek zijn naar zijn autoschadeherstelbedrijf hem ook wel kunnen vinden op een andere nabijgelegen locatie op de [.] . Dit is op zichzelf genomen onwenselijk, maar verweerder kan daar, zoals hij tijdens zitting heeft toegelicht, niet veel aan doen. Pas als in het pand waar eiser zijn bedrijf voortzet sprake is van illegale activiteiten die vallen onder de Beleidsregel, kan verweerder ook dat pand sluiten. Daarvan was hier geen sprake.
Conclusie