ECLI:NL:RVS:2019:3780
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen aanwijzing Wet kinderopvang
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht gaf op 1 juni 2017 een aanwijzing aan een wederpartij om maatregelen te treffen tegen overtredingen van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Na bezwaar verklaarde het college dit ongegrond, waarna de rechtbank het besluit vernietigde en het college opdroeg een nieuw besluit te nemen.
Het college stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat het vonnis van de rechtbank niet uitgevoerd hoefde te worden zolang het hoger beroep loopt. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat rechterlijke uitspraken in principe moeten worden uitgevoerd en dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat uitvoering onherstelbare gevolgen zou hebben of onevenredige inspanning zou vergen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.A. Hagen op 21 maart 2019.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, waardoor het college het vonnis van de rechtbank moet uitvoeren.