ECLI:NL:RVS:2019:3784
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 15 juni 2017 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar werd dit besluit op 14 december 2017 gehandhaafd. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 8 mei 2018 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, maar het hoger beroep werd ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd het beroep tegen het nieuwe besluit van 29 juni 2018, waarin het bezwaar opnieuw ongegrond werd verklaard, naar de rechtbank verwezen voor verdere behandeling.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarnaast werd een griffierecht opgelegd aan de staatssecretaris. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 8 november 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het nieuwe besluit wordt terugverwezen naar de rechtbank.