ECLI:NL:RVS:2019:3682
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling nareisaanvragen bij referent met zelfstandige asielvergunning
De staatssecretaris wees aanvragen van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis af, omdat de referent, die een zelfstandige asielvergunning heeft, volgens hem geen werkelijk gezinsleven meer onderhield met vreemdeling 1. De rechtbank vernietigde deze besluiten wegens ondeugdelijke motivering en oordeelde dat de gezinsband niet was verbroken, mede vanwege het overleggen van een huwelijksakte.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de toepassing van het nareisbeleid slechts eenmaal kan plaatsvinden en dat de gezinsband feitelijk was verbroken doordat de referent zich bij zijn moeder voegde en een ongehuwdverklaring aflegde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het nareisbeleid inderdaad slechts eenmaal toegepast mag worden en dat de richtlijn gezinshereniging dit niet belemmert.
De Afdeling benadrukte dat de staatssecretaris bij afwijzing op grond van verbroken gezinsband een inhoudelijke beoordeling moet maken van het werkelijk huwelijks- of gezinsleven, zoals vereist in artikel 16 en Pro 17 van de richtlijn. Omdat de staatssecretaris deze beoordeling niet had gemaakt, was de motivering ondeugdelijk.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. De staatssecretaris moet nieuwe besluiten nemen met inachtneming van de uitspraak en de proceskosten vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.