ECLI:NL:RVS:2019:3801
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over niet-inhoudelijke behandeling asielaanvragen vreemdelingen
Bij besluiten van 28 november 2018 heeft de staatssecretaris aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel niet inhoudelijk in behandeling genomen, omdat hij uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Polen. De rechtbank verklaarde deze beroepen gegrond en vernietigde de besluiten, stellende dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom hij niet op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de aanvragen zelf behandelde.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het arrest van het EHRM inzake artikel 8 EVRM Pro als reden gaf voor nader motiveren, terwijl alleen schending van artikel 3 EVRM Pro relevant is voor het vertrouwensbeginsel. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank dit ten onrechte had gedaan en vernietigde de uitspraak van de rechtbank.
De vreemdelingen voerden dat overdracht aan Polen een schending van artikel 3 EVRM Pro inhoudt vanwege detentieomstandigheden, medische klachten en risico op indirect refoulement. De Raad van State vond dat zij onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij opnieuw in detentie zouden komen of dat de medische zorg in Polen ontoereikend is. Ook het betoog over de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht werd verworpen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde de beroepen ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de beroepen ongegrond verklaard.