ECLI:NL:RVS:2019:3812
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen kosten bestuursdwang wegens onjuist aanbieden huishoudelijk afval afgewezen
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag had op 14 mei 2018 spoedeisende bestuursdwang toegepast wegens het onjuist aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, waarbij een deel van de kosten (€126,00) aan appellant werd opgelegd. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde onder meer aan dat hij ten onrechte telefonisch was gehoord in plaats van op het stadhuis.
De Raad van State oordeelde dat het telefonisch horen niet met de vereiste zorgvuldigheid was geschied, omdat appellant niet duidelijk was geïnformeerd dat het telefoongesprek in de plaats kwam van een hoorzitting. Desondanks werd dit gebrek gepasseerd omdat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunten kenbaar te maken en niet was benadeeld.
Daarnaast stelde appellant dat hij de afvaldoos correct in een volle prullenbak had geplaatst en dat mogelijk een derde de doos naast de inzamelvoorziening had geplaatst. De Raad van State verwierp dit betoog, stellende dat de aangetroffen afvalstoffen aan appellant konden worden toegerekend en dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet de overtreder was.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Wel werd het door appellant betaalde griffierecht van €46,00 vergoed. Hiermee werd het besluit van het college bevestigd en de kostenoplegging gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de kostenoplegging bestuursdwang wordt ongegrond verklaard en het griffierecht wordt vergoed.