ECLI:NL:RVS:2019:3877
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf na hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 19 februari 2018 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 16 mei 2018 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De vreemdeling stelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Hierdoor verviel het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling.
De Afdeling veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en legde een griffierecht op. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen vragen bevatte die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moesten worden, zodat het hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak leidde.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.