ECLI:NL:RVS:2019:3882
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 29 maart 2018 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 28 augustus 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze besluiten gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure werd het bezwaar alsnog gegrond verklaard en de aanvraag van de vreemdeling ingewilligd bij besluit van 27 mei 2019. Hierdoor was het hoger beroep feitelijk overbodig geworden.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die door een derde beroepsmatig waren verleend. Tevens werd een griffierecht aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.