ECLI:NL:RVS:2019:3895
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderopvangtoeslag bij onvoldoende co-ouderschap verblijf
Appellante had kinderopvangtoeslag aangevraagd voor haar kinderen, waarvan twee bij haar ex-partner zijn ingeschreven in de basisregistratie personen. De Belastingdienst wees het verzoek om herziening van het voorschot kinderopvangtoeslag af omdat niet werd voldaan aan het criterium van doorgaans ten minste drie dagen per week verblijf bij appellante.
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst terecht uitging van een driewekelijkse cyclus waarbij de kinderen gemiddeld 2,67 dagen per week bij appellante verbleven, wat onvoldoende is volgens artikel 4, tweede lid, van de Awir. Appellante stelde dat ook vakantie- en feestdagen meegeteld moesten worden, waardoor het gemiddelde 3,02 dagen per week zou zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de Belastingdienst mag uitgaan van het reguliere wekelijkse verblijf en dat vakantie- en feestdagen, gelijk verdeeld over beide ouders, geen substantiële afwijking vormen die het dagencriterium wijzigen. Daarom is het beroep ongegrond en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de herziening kinderopvangtoeslag bevestigd.