ECLI:NL:RVS:2018:3626
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing kinderopvangtoeslag bij co-ouderschap wegens onjuist horen belanghebbende
Appellante vroeg kinderopvangtoeslag aan voor haar twee kinderen, waaronder haar dochter die bij haar ex-partner in de basisregistratie personen (brp) stond ingeschreven. De Belastingdienst/Toeslagen wees de aanvraag voor de dochter af omdat deze niet ten minste drie hele dagen per week in elk huishouden verbleef, zoals vereist volgens artikel 4, tweede lid, Awir.
De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat het horen van appellant niet noodzakelijk was omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Appellante stelde in hoger beroep dat de regeling van co-ouderschap en feitelijke zorgverdeling niet juist waren meegewogen en dat het horen van haar wel had moeten plaatsvinden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de regeling voor co-ouderschap niet duidelijk was over de vrijdag en dat daardoor niet op voorhand kon worden vastgesteld dat het bezwaar ongegrond was. Daarom had de Belastingdienst/Toeslagen appellant moeten horen. Het besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd, het beroep gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand. Tevens werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit vernietigd wegens onterecht niet horen van appellant, met in stand blijvende rechtsgevolgen.