ECLI:NL:RVS:2019:3951

Raad van State

Datum uitspraak
22 november 2019
Publicatiedatum
22 november 2019
Zaaknummer
201900012/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag

Bij besluit van 30 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl de vreemdeling incidenteel hoger beroep instelde. Tijdens de procedure heeft de staatssecretaris meegedeeld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag omdat de overdrachtstermijn aan Zweden is verstreken.

Hierdoor hebben partijen geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep en incidenteel hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart beide beroepen niet-ontvankelijk en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: Het hoger beroep en incidenteel hoger beroep zijn niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201900012/1/V3.
Datum uitspraak: 22 november 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
2.    [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 3 december 2018 en haar uitspraak van 21 december 2018, beide in zaak nr. NL18.20254 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij tussenuitspraak van 3 december 2018 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een in die uitspraak geconstateerd gebrek aan dat besluit te herstellen.
Bij brief van 7 december 2018 heeft de staatssecretaris de rechtbank medegedeeld geen gebruik te maken van voormelde in de tussenuitspraak geboden gelegenheid.
Bij uitspraak van 21 december 2018 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 oktober 2018 vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraken heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.I. Siers, advocaat te Nijmegen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.
De staatssecretaris heeft desgevraagd nog een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.    De staatssecretaris heeft meegedeeld dat de asielaanvraag van de vreemdeling in de nationale asielprocedure zal worden behandeld. De reden hiervoor is dat de uiterste overdrachtstermijn is verstreken en dat de vreemdeling dus niet meer aan Zweden zal worden overgedragen.
2.    Nu dus vaststaat dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling, hebben de staatssecretaris en de vreemdeling geen belang meer bij de beoordeling van hun (incidenteel) hoger beroep. Dit betekent ook dat in deze procedure niet meer wordt toegekomen aan de vraag of van het medisch leeftijdsonderzoek in Zweden mag worden uitgegaan. Die vraag kan in de nationale procedure aan de orde komen.
3.    Het hoger beroep van de staatssecretaris en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling zijn niet-ontvankelijk. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.    verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;
III.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Vos
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2019
644.