ECLI:NL:RVS:2019:4049
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 mei 2017 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 1 mei 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze uitspraak. Bij besluit van 9 april 2019 werd het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. De vreemdeling diende een nadere schriftelijke uiteenzetting in. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het beroep tegen het besluit van 9 april 2019 werd verwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en werd een griffierecht opgelegd.
Deze uitspraak benadrukt de zorgvuldige toetsing van vreemdelingenbesluiten en bevestigt dat de bestuursrechter een belangrijke rol speelt in de bescherming van de rechten van vreemdelingen binnen het bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.