ECLI:NL:RVS:2019:4056
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang bij beoordeling verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris heeft op 8 februari 2017 besloten een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit op 15 maart 2017 ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure stelde de Afdeling prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarna de behandeling werd aangehouden. Na beantwoording van deze vragen door het Hof op 2 april 2019, dienden partijen reacties in. Uit de overgelegde informatie bleek dat de vreemdeling inmiddels in Duitsland verbleef en daar een tijdelijke verblijfstitel voor twee jaar had verkregen naar aanleiding van haar asielverzoek.
Gezien deze omstandigheden oordeelt de Afdeling dat de vreemdeling geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep. Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en hoeft de staatssecretaris geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang bij de vreemdeling.